Thema: Bodem

Zorg voor de bodem.

De natuur reguleert de bodem vanzelf.  Maar…een moestuin is geen natuurlijke situatie. We kunnen wel de lessen van de natuur toepassen om een gezonde bodem te krijgen. Een gezonde bodem krijg je zeker niet met kunstmest of te veel bijmesten. Een goede opbrengst en een goede bodem kunnen goed samengaan. Een gezonde bodem krijg je alleen door continue te werken aan structuurontwikkeling, door slim te beplanten en gericht te mesten. 

We leven hier op zandgrond.

Sommige moestuinierders vinden het een nadeel van zandgrond dat het water er snel wegloopt en dat daarmee voedingstoffen uitspoelen. De structuur van zandgrond is niet ideaal voor moestuinieren, maar vraagt om continu aanbrengen van organisch materiaal. 

Het voordeel is dat de meeste gewassen op zandgrond kunnen worden gekweekt (bloemkool is minder geschikt). 

Structuur.

De bovenste laag van de bodem (20 tot 30 cm) is die belangrijke teeltlaag waaruit de meeste gewassen hun voedsel halen. Het meeste organisch materiaal zit daarbij in de bovenste 10 cm. Het succes van een moestuin is vooral afhankelijk van de kwaliteit van de teeltlaag. 

Planten voeden zich voor het grootste deel via de wortels. Belangrijk is dat de grond een kruimelige structuur heeft waarin de wortels via kleine luchtkanaaltjes bij de voedingsstoffen komen. Zo’n kruimelige structuur krijg je door humus te ontwikkelen. Humus ontstaat doordat resten van dood plantenmateriaal en dierlijk materiaal verteren. Dit doen hele kleine diertjes, bacteriën en schimmels. Voor het oog zichtbaar zijn bijvoorbeeld mijten, springstaarten, pissebedden, kevers, wormen, vliegenlarven of duizendpoten. Regenwormen zijn de beste bodemverbeteraars. Hun poep bevat veel voedingsstof. Regenwormen maken gangen en ze scheiden een soort slijm af waardoor de korrels en organische materiaal samen blijven plakken. Miljoenen hele kleine beestjes zijn er in de grond aan het werk en laten sporen na.  De vraag is: hoe kan je ze helpen om hun werk te doen?

Breng zoveel mogelijk snoei- en bladmateriaal terug in je tuin. Leg bladeren en ander klein materiaal zoals gras, versnipperd plantenmateriaal en onkruid (zonder zaden) gewoon bovenop de grond.  

Bodemontwikkeling.

Het duurt jaren voor je een kwalitatief goede bodem hebt, maar ook dan is hij nooit af. De voedingsstoffen verdwijnen met het water (regen of water geven) zodat er steeds gewerkt moet worden aan de opbouw van een nieuwe voorraad organische materiaal.

Bodembedekking.

Natuurlijke grond is bedekt. Dat kan zijn met planten of met een strooisel laag zoals in een bos met verterende plantenresten. Eenjarig onkruid dat wil opkomen krijgt hier geen kans, omdat er geen licht op valt. Een onbedekte bodem zorgt voor erosie en de bodem wordt onvruchtbaar. Liefst is de bodem in de moestuin ook bedekt en dat kunnen we onder andere doen door te beplanten.

Een met planten bedekte bodem houdt erosie tegen. Bij warm weer verdampt er minder water, dus spoelen de voedingstoffen minder uit. In het koude seizoen is de bescherming tegen wind en regen een voordeel. Mulchen is een andere manier van bodembedekking.

Tussenteelt en ondergewassen.  

Gebruik tussenteelt (bijvoorbeeld tussen de rijen in) of ondergewassen (onder hogere planten lagere zetten). In een seizoen kunnen achter elkaar opeenvolgend verschillende gewassen worden gekweekt. Groenbemesters kunnen op tijdelijke lege plekken worden gezaaid en ook in de winter hun werk doen.

Mulchen.

Eventueel kan rijpe compost worden aangebracht of mulch om de grond te bedekken. Bedenk wel dat de voedingstoffen hieruit wegspoelen als je dit in de herfst doet. Optimaal is in het najaar bedekken met natuurlijke resten zoals bladeren, takjes, oogstresten e.d. In de Moestuin heb je hier waarschijnlijk niet genoeg van. Het is jammer als gesnoeid materiaal van de buren thuis in de groenbak terecht komt. Misschien mag je het hebben.

Zonder bodembedekking van vaste planten of groenbemesters ontstaat een tapijt van grassen, muur, paarse dovenetel of ander zaadonkruid. Dat is altijd nog beter dan een kale bodem en kan in het voorjaar eenvoudig weer worden gebruikt als mulch.

Karton kan worden gebruikt als bodembedekking. Maak het nat en leg het op de grond (eventueel op het onkruid) overdek het met een laag mulch zoals compost.

Stro als bedekking kan als tijdelijke bedekking goed werken en helpt bijvoorbeeld aardbeien drooghouden.  

Niet verstoren.

Het is belangrijk dat de humusrijke laag niet wordt verstoord. De grond belopen is dan ook niet goed, omdat dat leidt tot verdichting. Bij het ontwerp van een tuin hou je daar al rekening mee. Paden zorgen dat je overal goed bij kan komen. Gewassen waar je goed en vaak bij moet kunnen bijvoorbeeld om te oogsten, komen aan de randen van de paden. Gewassen die minder aandacht vragen kunnen op plekken die iets moeilijk bereikt worden.  

Voorkom dat je water geeft met een harde waterstraal.

Door te spitten verstoor je de natuurlijke opbouw van de grond. De nuttige schimmeldraden gaan kapot en de noodzakelijke samenhang in de bodem gaat verloren. De schimmels in de bodem verspreiden de voedingsstoffen en wisselen informatie uit tussen de planten. Planten waarschuwen elkaar bij plagen via de schimmeldraden.

Als een tuin al regelmatig is omgespit, kan het een paar jaar duren voor de negatieve effecten daarvan kunnen worden opgeheven. Symptomen zijn dat er water blijft staan bij langdurige regen en dat de grond ’s zomers snel uitdroogt. Als je dan weer gaat spitten lijkt het probleem tijdelijk verholpen, maar je werkt niet aan een structurele oplossing. Door het losmaken van de bodem verdwijnen belangrijke bacteriën. 

Het effect van spitten is dat mineralen worden vrijgezet. De meeste mensen spitten in maart/april Door te spitten is er op dat moment een explosieve groei van micro-organismen. De piek van voedingsstoffen is dan in mei/juni. Dit is te vroeg. De vraag naar voedingsstoffen ligt vooral eind juni/begin juli. Door niet te spitten heb je een minder hoge piek, maar een meer constante hoeveelheid. De natuur regelt het dus beter.

Onkruid

De bodem is één grote zaadbak. De zaadjes kunnen honderden jaren blijven liggen, maar omdat er geen licht bij komt kiemen ze niet. Zolang we de grond niet beroeren (schoffelen, spitten) blijft het onkruid beperkt.

Onkruid is niet erg voor een gezonde bodem; voedingsstoffen worden vastgehouden en uitspoeling van water en voedingsstoffen wordt voorkomen. De bodemstructuur wordt beschermd tegen dichtslaan en erosie. Door onkruid met diepe wortels zoals de paardenbloem komen voedingsstoffen uit de diepere lagen omhoog.

Veel moestuinierders vinden de opkomst van onkruid te onvoorspelbaar om mee te werken. Als je echter verstandig omgaat met onkruid kan het een vriend zijn in plaats van een vijand. Daarvoor is het goed om onkruid te leren kennen.

Onkruid kan leren wat de toestand van de bodem is.

knopkruid

Teken van voedselrijke en zure bodem

brandnetel

Voedselrijke bodem

kamille

Verdichte bodem

klavers

weinig stikstof in de bodem

perzikkruid

vochtig en voedselrijke bodem

vogelmuur

voedselrijk, goede structuur

klein hoefblad

Verdichte bodem

 

Combinatie teelt en vruchtwisseling.

In de natuur regelen planten zelf dat ze in de goede omgeving staan om samen op te groeien. Planten vormen samen een systeem of associatie en groeien op in harmonie met elkaar en de bodem. Zaad dat op de verkeerde bodem valt, zal niet tot bloei komen of de plant verpietert en zal uitsterven. Een moestuin is geen natuurlijk systeem, maar we kunnen wel lessen uit de natuur gebruiken. Tussen de bacteriën en schimmels in de bodem en de planten bestaan samenwerkingsvormen die de bodemontwikkeling beïnvloeden. Door slim te combineren in ruimte en tijd ontstaan veel voordelen.

Variatie.

Door hoogteverschil te gebruiken ontstaan verschillende microklimaten. kan worden bereikt door een ontwerp te kiezen waarbij naast verschillende groentes, te kiezen voor diverse fruitsoorten, kruiden en bloemen die in hoogte verschillen.

Een bekend voorbeeld waarbij hoogteverschillen worden benut zijn de drie gezusters: mais, bonen en pompoenen. Bonen klimmen tegen de mais omhoog en daaronder plaatsen we pompoen of courgette die de bodem afdekt en zo het onkruid tegen houdt. Gericht geven van mest is daarbij wel belangrijk, want bonen hebben liever geen extra mest, maar pompoenen wel. Geen mais? Dan kunnen onder de eenvoudige constructie voor de stokbonen toch pompoenen of courgettes komen.

Naast elkaar kunnen soorten komen die goede buren zijn. Als je verschillende gewassen door elkaar zet heb je meer diversiteit in vraag en aanbod van het bodemleven. Er zijn bovendien meer verschillende insecten met natuurlijke vijanden. Er is minder kans dat één soort gaat overheersen. De wortels van Goudsbloem weren aaltjes via de wortels. Oost-Indische kers lokt luizen zodat die niet op je groenten gaan zitten. Sommige afrikaantjes werken ook goed tegen aaltjes. Lavendel weert bladluizen. Een bloemenrand van verschillende bloemen trekt allerlei verschillende insecten aan die een evenwicht vormen.

Vaste planten. In een moestuin kunnen vaste planten een belangrijke functie vervullen. Bessenstruiken geven oogst, maar zorgen er ook voor dat te veel insecten worden gegeten door vogels die op de bessen afkomen.  Dat kunnen bijvoorbeeld bessenstruiken zijn.  Smeerwortel is een goede bodembedekker, werkt goed onder fruit en kan worden gebruikt als mulch.

Rabarber levert bladeren die na de oogst gebruikt kunnen worden als mulch of in de composthoop.

Vruchtwisseling.

Veel moestuinierders kiezen voor de overzichtelijkheid door het kweken in rijen of vakken. Het is overzichtelijk en het is gemakkelijker om bij te houden wat je waar hebt gezet. Het is belangrijk dat er variatie in de tijd komt. Het ene jaar kweek je het ene soort gewas, het andere jaar het andere: vruchtwisseling.

Vruchtwisseling houdt verbeterende en verslechterende omstandigheden voor de bodem in evenwicht.  Elk gewas heeft invloed op de samenstelling van de bodem. Diepwortelende  gewassen zoals schorseneren maken de bodem los. Bladrijke gewassen beschermen de grond tegen dichtslaan door de regen. Gewassen die organische stoffen achterlaten werken mee aan de bodemvruchtbaarheid.

Gewassen die een goede structuur achterlaten zijn: aardappels, schorseneren, witlof, luzerne, grassen, kolen.  Gewassen die een slechte structuur achterlaten zijn uit, sjalot, erwt.

Het is in een moestuin niet goed om dezelfde gewassen jaarlijks achter elkaar op dezelfde plaats te planten. Dat geldt wel het meeste voor koolsoorten. Door vruchtwisseling toe te passen vermindert de kans op ongewenste belagers zoals aaltjes.

Combinatieteelt.

Planten kunnen goede of slechte buren zijn van elkaar. Ze gaan een goede of slechte samenwerking aan via de schimmels of geuren.

Bemesten

Zandgronden hebben een grotere behoefte aan organische bemesting dan andere grondsoorten. Maar ook dan moet de bodem zoveel mogelijk de natuurlijke processen doorlopen. Hoe meer humus er aanwezig is, hoe minder toegevoegde bemestingsstoffen zullen uitspoelen en hoe minder mest nodig is.

Toegevoegde voedingsstoffen moeten traag opneembaar zijn, geen gebruik van kunstmest dus. Het gebruik van bloedmeel of houtas vraagt veel kennis. Deze voedingstoffen zijn snel opneembaar, maar kunnen bij fout gebruik meer problemen opleveren dan dat ze oplossen.

Koemest, paardenmest, gft-compost, schapen, geiten en varkensmest geven voedingsstoffen en verbeteren de structuur.

Plantenaftreksel, kippenmest, gedroogde meststoffen en slachthuisproducten zoals beendermeel of bloedmeel verbeteren de bodem nauwelijks.

Plantenafval – mits in grote hoeveelheden aangebracht- is structuur verbeterend, maar levert weinig voedingsstoffen.

Voor een gezonde bodem komt alleen organische meststof in aanmerking. Compost is de basis voor alle bemesting.

Champignonmest geeft voedingsstoffen en is bovendien structuur verbeterend.

Niet overbemesten. 

Met champignoncompost komen we een heel eind in de moestuin.  Voor gewassen die veel behoefte hebben aan mest dient gericht extra mest te worden toegevoegd. Zorg dat de mest goed gerijpt is en geef kleine hoeveelheden per keer.  Bij te veel bemesten kan er slechte schimmel of bladluis ontstaan. Te veel bemesten kan de smaak aantasten. Te veel mest levert onnodige CO2 uitstoot.